Een garage moet per uur minstens zoveel rekenen dat de winst, de kosten van de werkplaats en de rente uit de gefactureerde uren komen. In een rekenvoorbeeld voor een startende garagehouder met 1.260 declarabele uren per jaar is dat € 77,24 per uur excl. btw. Een tarief van € 80 excl. btw ligt daar net boven en onder wat vrije garages gemiddeld vragen.
Het tarief van de concurrent zegt weinig over uw eigen ondergrens. Een monteur die bij klanten aan huis werkt, heeft geen huur, geen brug en geen diagnoseapparatuur te betalen. U met een eigen werkplaats wel. Daarom begint de berekening bij uw eigen cijfers.
In het kort
- Uw ondergrens per uur is het bedrag dat uit arbeid moet komen, gedeeld door de uren die u echt factureert. In het rekenvoorbeeld is dat € 97.323 gedeeld door 1.260 uur, ofwel € 77,24 excl. btw.
- Vrije garages rekenden in 2025 ongeveer € 85 per uur excl. btw, dealers meer dan € 100. Zzp-automonteurs vragen gemiddeld € 55, maar dat is geen maatstaf voor een garage met een eigen werkplaats.
- Diagnose kost tijd, apparatuur en software. Noem vooraf wat het kost of hoe u het berekent, en geef het niet gratis weg.
In dit artikel
- Hoe rekent u de ondergrens van uw uurtarief uit?
- Hoeveel uren kan een garagehouder per jaar factureren?
- Wat rekenen andere garages per uur?
- Waarom is € 35 tot € 55 per uur te weinig voor een garage?
- Mag u diagnose apart rekenen?
- Werkt u beter met vaste prijzen of met een uurtarief?
- Hoe ziet u of uw tarief klopt?
Hoe rekent u de ondergrens van uw uurtarief uit?
Tel op wat er per jaar uit arbeid moet komen en deel dat door het aantal uren dat u factureert. De uitkomst is uw ondergrens: het laagste tarief waarbij u uw kosten betaalt en de winst haalt die u nodig hebt. Alles daaronder betaalt u zelf.
Een rekenvoorbeeld voor een startende garagehouder, alleenstaand, met een eigen werkplaats en twee bruggen. Hij wil € 3.000 per maand netto overhouden en heeft een startlening van € 25.000. Daarvoor is een winst nodig van € 55.617 per jaar. Daarin zitten ook de aflossing, de inkomstenbelasting, de bijdrage Zvw, een lijfrente en een arbeidsongeschiktheidsverzekering.
De bedrijfskosten in het voorbeeld zijn € 49.400 per jaar. De grootste posten zijn huur (€ 18.000, ofwel € 1.500 per maand), afschrijving van bruggen, diagnoseapparatuur en gereedschap (€ 8.000), energie en afvoer van olie en banden (€ 4.000), verzekeringen (€ 3.500) en software voor technische gegevens en diagnose (€ 3.000). Huur en verzekering verschillen sterk per regio, dus vraag zelf offertes op.
Daar komt € 2.306 rente op de lening bij. De marge op onderdelen gaat er weer af: in het voorbeeld verkoopt de garage voor € 40.000 inkoop aan onderdelen met 25% opslag, dat levert € 10.000 op. Uit arbeid moet dan € 97.323 komen. Gedeeld door 1.260 uur is dat € 77,24 per uur excl. btw. Zonder marge op onderdelen zou de ondergrens € 85,18 zijn.
Hoeveel uren kan een garagehouder per jaar factureren?
Reken in het eerste jaar met ongeveer 1.260 declarabele uren, ofwel uren die u aan een klant factureert. Dat is 45 werkweken van 28 uur. Wie 45 uur per week in de zaak staat, factureert er dus ongeveer 62% van.
De rest van de tijd gaat op aan de balie, de telefoon, onderdelen bestellen, proefritten, administratie en werk dat u niet kunt doorberekenen. De 45 werkweken volgen uit 52 weken min 5 weken vakantie, 1,5 week feestdagen en een halve week ziekte. Knab vroeg 136 zzp-automonteurs naar hun werk. Wie geen baan in loondienst ernaast heeft, declareert gemiddeld 30 uur per week (Knab, 2026).
Het aantal uren weegt zwaar. Bij dezelfde kosten en dezelfde winst maakt elke 100 uur meer of minder het tarief ongeveer € 6 tot € 7 lager of hoger. Wie met 40 gefactureerde uren per week rekent, komt op een tarief uit dat in de praktijk te laag blijkt.
Wat rekenen andere garages per uur?
Een onafhankelijke garage rekent gemiddeld ongeveer € 85 per uur excl. btw. Vijf jaar eerder was dat nog € 68,50. Bij dealers ligt het uurtarief boven de € 100 excl. btw (ANWB Kampioen, 1 november 2025). Er is geen officiële bron met uurtarieven van garages. Deze cijfers komen van de branche.
Een onderzoek van het vakblad AMT onder 200 garages kwam in 2024 uit op gemiddeld ongeveer € 82 per uur inclusief btw, met uitschieters van € 61 tot € 165. De ANWB noemt € 65 per uur zelf "echt het minimum" voor een werkplaats (ANWB Kampioen, 1 november 2025).
U bent vrij om uw eigen prijs te kiezen. "Het staat garages volledig vrij om hun eigen prijs te hanteren voor auto-onderhoud", schreef de ACM (ACM, 31 mei 2018). Adviesprijzen van een importeur zijn niet verplicht.
Klanten gaven in 2025 per werkplaatsbezoek gemiddeld € 352 uit. In totaal ging er € 4,7 miljard om in onderhoud en reparatie, € 100 miljoen minder dan een jaar eerder (BOVAG, 1 april 2026). De markt groeit dus niet vanzelf. Een nieuwe garage wint klanten van andere garages.
Waarom is € 35 tot € 55 per uur te weinig voor een garage?
Omdat een eigen werkplaats met zulke tarieven niet uit de kosten komt. Met 1.260 uur levert € 55 per uur € 69.300 op. In het rekenvoorbeeld moet er € 97.323 uit arbeid komen. Dan mist u € 28.023 per jaar. Bij € 35 per uur is het tekort € 53.223.
Zzp-automonteurs rekenen gemiddeld € 55 per uur excl. btw. Bijna de helft vraagt minder dan € 50: 2% minder dan € 30, 12% tussen € 30 en € 40 en 33% tussen € 40 en € 50 (Knab, 2026). Het onderzoek zegt niet of die monteurs een eigen werkplaats hebben, aan huis werken of een plek huren. Het is een onderzoek van een bank, zonder beschreven methode.
Dat verschil is de kern. Een monteur zonder werkplaats heeft weinig vaste kosten. Een garage met huur, bruggen, diagnoseapparatuur, software en verzekeringen heeft er veel. Wie zijn tarief afstemt op de monteur die bij de klant voor de deur werkt, betaalt de werkplaats uit eigen zak.
Een laag tarief trekt ook niet vanzelf meer klanten. Klanten vergelijken met de dealer, die boven de € 100 per uur zit. Met € 80 bent u al duidelijk goedkoper, terwijl u wel uw kosten dekt.
Mag u diagnose apart rekenen?
Ja, en dat is verstandig. Diagnose, het zoeken naar de oorzaak van een storing met apparatuur en software, kost tijd, een licentie en vakkennis. Het is werk, ook als er daarna geen reparatie volgt. Noem de prijs wel vooraf.
Tegenover een particulier moet u vóór de opdracht de totale prijs noemen, inclusief btw. Kan dat door de aard van het werk niet, dan noemt u de manier waarop u de prijs berekent (BW, artikel 6:230l). Spreekt u niets af, dan is de klant een redelijke prijs verschuldigd (BW, artikel 7:752). Over wat redelijk is, ontstaat vaak discussie.
Economen rekenen autoreparatie tot de vertrouwensgoederen: diensten waarbij de klant ook na afloop niet goed kan beoordelen of het werk nodig was. Bij zulke diensten zijn diagnose en behandeling twee aparte stappen, en de klant moet erop vertrouwen dat de expert eerlijk is over allebei (Dulleck & Kerschbamer, 2006). Een vaste, vooraf genoemde prijs voor diagnose maakt die eerste stap zichtbaar.
In de praktijk werkt een vast bedrag voor uitlezen en een eerste zoektijd, met de afspraak dat u belt voordat u verder zoekt. Verrekenen met de reparatie mag, maar dan als keuze, niet als gewoonte. Gratis diagnose is uw uurtarief weggeven.
Werkt u beter met vaste prijzen of met een uurtarief?
Voor onderhoud en APK werkt een vaste prijs beter, voor storingen en reparaties een uurtarief. De klant vergelijkt een beurt op het eindbedrag, niet op uw uurtarief. Met een vaste prijs verdient u extra als u sneller werkt dan de normtijd, de tijd die de fabrikant of een dataleverancier voor een klus opgeeft.
Zet alle kosten die de klant altijd betaalt in de prijs die u noemt. Onvermijdbare kosten moeten volgens de ACM in de eerste prijs zitten die de klant ziet (ACM ConsuWijzer, prijzen en bijkomende kosten). Een losse regel voor klein materiaal of milieutoeslag op de factuur maakt de genoemde prijs onjuist.
Een voorbeeld van een vaste prijs voor een kleine beurt, met een tarief van € 80 per uur. De normtijd, de inkoopprijzen en de opslag zijn aannames.
| Onderdeel | Bedrag excl. btw |
|---|---|
| Arbeid: 0,8 uur × € 80 | € 64,00 |
| Motorolie: inkoop € 30 plus 30% | € 39,00 |
| Oliefilter: inkoop € 8 plus 30% | € 10,40 |
| Klein materiaal en afvoer van olie en filter | € 6,00 |
| Totaal excl. btw | € 119,40 |
| Btw 21% | € 25,07 |
| Prijs op de kaart, incl. btw | € 145 |
Zet bij elke vaste prijs wat erin zit, en dat u eerst belt als u iets vindt dat er niet bij hoort. Dan blijft de afspraak duidelijk als de beurt meer werk blijkt te zijn.
Hoe ziet u of uw tarief klopt?
Door elke maand drie getallen bij te houden. Ze laten zien of u de uren haalt waarmee u rekende, en of u het tarief ook echt krijgt. Wijken ze een paar maanden af, reken uw ondergrens dan opnieuw uit.
- Bezettingsgraad: gefactureerde uren gedeeld door de uren dat u in de zaak bent. In het rekenvoorbeeld is het doel ongeveer 62%.
- Opbrengst per uur: omzet uit arbeid gedeeld door gefactureerde uren. Ligt die onder uw tarief, dan geeft u korting of werkt u langer dan de normtijd.
- Marge op onderdelen: verkoop min inkoop, gedeeld door de verkoop van onderdelen. Die marge drukt uw uurtarief, dus houd hem in het oog.
Houd ook rekening met de belasting. Een veilige regel is 25% van de winst apart te zetten voor inkomstenbelasting en de bijdrage Zvw. Bij de winst uit het rekenvoorbeeld is dat ruim genoeg voor een starter. De btw van 21% over arbeid en onderdelen zet u daarnaast apart, want die is niet van u.
Bronnen
- ANWB Kampioen, Auto-onderhoud wordt duurder, 1 november 2025. anwb.nl
- Knab, Zzp automonteur worden: uurtarief, winst en kansen in 2026, bijgewerkt 17 juni 2026. knab.nl
- ACM, Garages mogen onderhoudsprijzen auto's zelf bepalen, 31 mei 2018. acm.nl
- BOVAG, Meer onderhoudsmomenten maar lager bedrag per werkplaatsbezoek, 1 april 2026. bovag.nl
- Burgerlijk Wetboek Boek 6, artikel 230l, geldend vanaf 16 juli 2026. wetten.overheid.nl
- Burgerlijk Wetboek Boek 7, artikel 752, geldend vanaf 8 oktober 2026. wetten.overheid.nl
- ACM ConsuWijzer, Prijzen en bijkomende kosten, geraadpleegd 22 oktober 2026. consument.acm.nl
- Dulleck, U. & Kerschbamer, R. (2006). On doctors, mechanics, and computer specialists: the economics of credence goods. Journal of Economic Literature, 44(1), 5-42. doi.org