Ja, de WBSO werkt, maar minder sterk dan vaak wordt gedacht. De WBSO is de Nederlandse belastingkorting voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O: technisch onderzoek en het ontwikkelen van nieuwe producten, processen of software). Volgens de officiële evaluatie over 2018 tot en met 2022 investeren bedrijven voor elke euro korting gemiddeld 81 cent extra in R&D (research and development, onderzoek en ontwikkeling in brede zin). Internationaal onderzoek bevestigt dat zulke kortingen werken, vooral bij bedrijven die moeilijk aan geld komen.
In het kort
- De WBSO verlaagt in 2026 uw loonheffing met 36% van uw S&O-kosten tot € 391.020, en met 16% daarboven. Starters krijgen 50% in de eerste schijf.
- Per euro korting gaat er gemiddeld 41 cent extra naar S&O en 81 cent extra naar R&D. Bij microbedrijven is het effect kleiner.
- Een deel van het voordeel lekt weg, omdat bedrijven te weinig loonheffing afdragen of de korting vergeten. Bij starters ging het in 2022 om 28%.
In dit artikel
- Wat is de WBSO en wat levert hij u in 2026 op?
- Doen bedrijven door de WBSO echt meer aan onderzoek en ontwikkeling?
- Werkt de WBSO beter voor kleine of voor grote bedrijven?
- Waarom lekt een deel van het WBSO-voordeel weg?
- Leidt meer onderzoek ook tot meer innovatie?
- Gaat de korting naar extra onderzoek of naar hogere lonen?
- Waarom werkt de WBSO minder sterk dan vroeger?
- Wanneer levert de WBSO uw bedrijf het meeste op?
Wat is de WBSO en wat levert hij u in 2026 op?
De WBSO is een korting op de loonheffing (de loonbelasting en premies die u als werkgever afdraagt) voor bedrijven die zelf technisch nieuw werk ontwikkelen. U krijgt een deel van de loonkosten van dat werk terug via uw aangifte loonheffingen. Bedrijven met personeel kunnen daarnaast andere kosten meetellen, zoals materialen (RVO, 2026).
In 2026 verlaagt de WBSO uw loonheffing met 36% over de eerste € 391.020 van uw S&O-grondslag (het bedrag aan S&O-loonkosten en andere S&O-kosten waarover u korting krijgt). Over het deel daarboven krijgt u 16%. Starters krijgen 50% in de eerste schijf. De grens van de eerste schijf is in 2026 eenmalig verhoogd (RVO, 2026).
Een rekenvoorbeeld. Een bedrijf met een S&O-grondslag van € 200.000 draagt in 2026 € 72.000 minder loonheffing af, namelijk 36% van € 200.000. Is het bedrijf een starter, dan is dat € 100.000. Een bedrijf is starter als het in de vijf voorgaande jaren maximaal vier jaar personeel had en in minder dan drie van die jaren een S&O-verklaring kreeg. Kort gezegd krijgt een bedrijf het startertarief dus hooguit drie jaar (SEO & Dialogic, 2025).
Werkt u als zelfstandig ondernemer zonder personeel aan S&O, dan loopt het voordeel via de inkomstenbelasting. U krijgt dan in 2026 een S&O-aftrek van € 15.979, plus € 7.996 extra als u starter bent (Belastingdienst, 2026). Een van de voorwaarden is dat u zelf minstens 500 uur per jaar aan erkend speur- en ontwikkelingswerk besteedt (Belastingdienst).
U vraagt de WBSO altijd vooraf aan, voor werk dat nog moet beginnen. Voor werk dat u al gedaan hebt, kunt u geen WBSO meer aanvragen (RVO, 2026).
Doen bedrijven door de WBSO echt meer aan onderzoek en ontwikkeling?
Ja, maar minder dan de korting zelf. De officiële evaluatie over 2018 tot en met 2022 vindt dat bedrijven voor elke euro WBSO-korting gemiddeld 41 cent extra uitgeven aan S&O. In de bredere zin van R&D is dat 81 cent extra (SEO & Dialogic, 2025). Onderzoekers noemen deze verhouding de bang for the buck: hoeveel extra investering één euro belastingkorting oplevert.
Dat de verhouding onder één ligt, betekent niet dat de rest weggegooid geld is. De WBSO geldt voor al uw S&O, ook voor het deel dat u zonder korting ook had gedaan. Op dat deel is de korting een voordeel zonder extra inzet. De evaluatie schat dat de WBSO ruim een half miljard euro per jaar aan extra S&O oplevert. Dat is ongeveer 9% van de € 5,9 miljard die bedrijven met personeel jaarlijks aan S&O uitgeven (SEO & Dialogic, 2025).
Ouder Nederlands onderzoek komt tot een vergelijkbaar beeld. Lokshin en Mohnen bestudeerden Nederlandse bedrijven tussen 1996 en 2004. Ze vonden enig bewijs dat de WBSO extra R&D uitlokt. Alleen bij kleine bedrijven konden ze uitsluiten dat de korting eigen uitgaven verdringt. Omdat de korting over al het onderzoek gaat en niet alleen over de groei ervan, gaat er volgens hen veel geld naar werk dat toch al gebeurde (Lokshin & Mohnen, 2012).
Het eindoordeel van de evaluatie is dat de WBSO overwegend doeltreffend is. Het kabinet sluit zich daarbij aan en wil de regeling stabiel en voorspelbaar houden, zonder einddatum (Kamerbrief, 2025).
Werkt de WBSO beter voor kleine of voor grote bedrijven?
Bij heel kleine bedrijven zet de WBSO minder extra investeringen in gang. Voor microbedrijven, met 0 tot 9 werkzame personen, vindt de evaluatie een kleiner effect. Laat u die microbedrijven weg, dan stijgt de opbrengst naar 56 cent extra S&O en € 1,08 extra R&D per euro korting (SEO & Dialogic, 2025).
Dat maakt de WBSO voor kleine bedrijven niet nutteloos. Volgens de onderzoekers zet de regeling microbedrijven er vooral toe aan om met S&O te beginnen, en minder om bestaand werk uit te breiden. De groep bedrijven die onderzoek doet, wordt dus groter. Ongeveer de helft van alle WBSO-gebruikers heeft 1 tot 9 werknemers (SEO & Dialogic, 2025).
Buitenlands onderzoek wijst op sterke effecten bij bedrijven met weinig financiële ruimte. In 2008 verhoogde het Verenigd Koninkrijk de grens voor de gunstige mkb-regeling, onder meer van 249 naar 499 werknemers. Bedrijven die daardoor het hogere tarief kregen, gingen meer aan R&D doen en meer patenteren, en dat effect hield tot zeven jaar aan. De grote effecten kwamen vooral van bedrijven die moeilijk aan financiering kwamen (Dechezleprêtre e.a., 2023).
In 2004 veranderde Canada de regels voor wie in aanmerking kwam voor zijn R&D-belastingkorting voor kleine particuliere bedrijven. Bij de bedrijven die daardoor in aanmerking kwamen, steeg de totale R&D met 17%. Het effect was groter bij bedrijven die de korting als uitbetaling kregen, omdat ze geen belasting verschuldigd waren (Agrawal, Rosell & Simcoe, 2020). Voor een klein bedrijf telt dus vooral of het voordeel ook echt als geld binnenkomt.
Een meta-analyse (een studie die de uitkomsten van veel eerdere studies samen weegt) laat zien dat het effect van R&D-belastingkortingen per soort bedrijf verschilt. Gemiddeld was het extra effect sterker bij mkb-bedrijven, bij dienstverleners en bij bedrijven in laagtechnologische sectoren in landen met een regeling die de groei van R&D beloont (Castellacci & Lie, 2015). De WBSO beloont het niveau van uw S&O, niet de groei ervan.
Waarom lekt een deel van het WBSO-voordeel weg?
Omdat niet elk bedrijf genoeg loonheffing afdraagt om de korting te verrekenen. Jaarlijks blijft gemiddeld 6% van de vastgestelde WBSO-korting onbenut. Ongeveer de helft daarvan, zo'n 40 miljoen euro, komt doordat de loonheffing lager is dan de korting waar het bedrijf recht op heeft (SEO & Dialogic, 2025).
Starters hebben hier het meeste last van. In 2022 kon 28% van de starters het toegekende voordeel niet volledig gebruiken, tegenover 7% van de andere bedrijven (SEO & Dialogic, 2025). Een jong bedrijf heeft vaak weinig mensen in loondienst, en dus weinig loonheffing om de korting mee te verrekenen.
De andere helft gaat verloren door fouten in de verwerking. Een bedrijf, of zijn accountant of administratiekantoor, vergeet de korting geheel of gedeeltelijk in de aangifte loonheffingen. Of het verrekent een correctie in een later tijdvak dan waar die bij hoort (SEO & Dialogic, 2025). Dat deel is met een vaste controle per aangifte te voorkomen.
De onderzoekers stellen voor te onderzoeken of onbenutte korting naar een volgend jaar kan worden doorgeschoven. In zijn reactie van april 2025 kondigde het kabinet aan dit te laten onderzoeken, samen met andere aanpassingen (Kamerbrief, 2025).
Leidt meer onderzoek ook tot meer innovatie?
Meestal wel, maar niet altijd in de vorm van patenten. In het Britse onderzoek leidde de belastingkorting tot meer patenten, ook als je rekening houdt met hun kwaliteit. Bedrijven die technologisch dicht bij de geholpen bedrijven zaten, gingen ook meer innoveren (Dechezleprêtre e.a., 2023). Dat overslaan van kennis naar andere bedrijven heet een kennisspillover.
In Noorwegen leidden projecten met een R&D-belastingkorting vooral tot nieuwe productieprocessen en, in mindere mate, tot nieuwe producten voor het eigen bedrijf. Een duidelijk effect op producten die nieuw waren voor de markt, of op patenten, vonden de onderzoekers niet (Cappelen, Raknerud & Rybalka, 2012). Zo'n korting helpt dus vooral bij verbeteringen binnen het bedrijf zelf.
Voor Nederland schat de evaluatie dat de extra R&D door de WBSO op de lange termijn 2,6 tot 3,1 miljard euro per jaar aan economisch rendement oplevert. Tussen 23% en 64% daarvan komt door kennisspillovers. In een enquête zegt 70% van de WBSO-gebruikers dat hun projecten zorgen voor aanzienlijk meer omzet met nieuwe producten en diensten (SEO & Dialogic, 2025). Een enquête onder gebruikers is wel zwakker bewijs dan een statistische vergelijking.
Gaat de korting naar extra onderzoek of naar hogere lonen?
Een deel kan in hogere lonen van onderzoekers terechtkomen. Lokshin en Mohnen onderzochten Nederlandse bedrijven tussen 1997 en 2004. Als de WBSO een groter deel van de loonkosten dekte, stegen de lonen van R&D-medewerkers. Een stijging van 10% in het gedekte deel ging op korte termijn samen met ongeveer 2% hogere R&D-lonen, en op lange termijn met ongeveer 2,4% (Lokshin & Mohnen, 2013).
Voor 2018 tot en met 2022 ziet de evaluatie dat effect niet. De extra S&O-loonkosten kwamen in die periode door meer gewerkte uren, en niet door hogere uurlonen (SEO & Dialogic, 2025).
Hier zit wel een grens van elke R&D-korting. Als er geen extra onderzoekers te vinden zijn, kan een bedrijf weinig extra doen, hoe groot de korting ook is. De evaluatie noemt de moeite om geschikt personeel te vinden als een van de vaakst genoemde verklaringen voor het kleinere effect van de WBSO (SEO & Dialogic, 2025).
Waarom werkt de WBSO minder sterk dan vroeger?
De extra investering per euro korting is in de loop der jaren kleiner geworden. Over 2018 tot en met 2022 ligt de bang for the buck een derde tot zes tienden lager dan over 2013 tot en met 2017 (SEO & Dialogic, 2025). Eerdere evaluaties kwamen op 1,77 voor 2006 tot en met 2010 en op 0,9 voor 2011 tot en met 2017 (Kamerbrief, 2019).
Die getallen zijn niet één op één te vergelijken, want elke evaluatie rekende anders. De richting is wel duidelijk. De onderzoekers noemen meerdere mogelijke oorzaken: bedrijven vinden moeilijk personeel, steeds meer R&D-kosten vallen buiten de technische S&O-definitie, en andere landen hebben inmiddels vergelijkbare regelingen (SEO & Dialogic, 2025).
Het kabinet wil eerst het doel van de WBSO scherper maken. Daarna laat het onder meer onderzoeken of een extra prikkel voor groei van S&O en het doorschuiven van onbenutte korting de regeling sterker maken. Het forfaitaire uurloon (het vaste uurloon waarmee RVO rekent als een bedrijf nog geen loongegevens van S&O-medewerkers heeft) gaat in 2027 van € 29 naar € 33 (Kamerbrief, 2025).
Wanneer levert de WBSO uw bedrijf het meeste op?
De WBSO levert het meeste op als u structureel technisch nieuw werk doet en de korting ook echt kunt verrekenen. Het onderzoek wijst op een paar punten die daarbij het verschil maken.
- Vraag vooraf aan. De WBSO geldt alleen voor werk dat nog moet beginnen (RVO, 2026).
- Kijk of uw loonheffing groot genoeg is. Starters lopen het grootste risico dat een deel van het voordeel onbenut blijft (SEO & Dialogic, 2025).
- Controleer elke aangifte loonheffingen op de korting. De helft van het onbenutte voordeel komt door vergeten of verkeerd verrekende korting (SEO & Dialogic, 2025).
- Houd uw S&O-uren en kosten goed bij. Volgens de evaluatie zit de meeste administratieve last in het bijhouden en verantwoorden van die uren en kosten (Kamerbrief, 2025).
- Bent u zelfstandige zonder personeel: de S&O-aftrek vraagt minstens 500 uur eigen S&O per jaar (Belastingdienst).
Volgens de evaluatie vindt 82% van de ondervraagde gebruikers dat de baten van de WBSO opwegen tegen de moeite die het kost (Kamerbrief, 2025). Wie de regeling eenmaal met succes gebruikt en structureel S&O doet, gebruikt haar in de regel elk jaar opnieuw (SEO & Dialogic, 2025).
Bronnen
- RVO, WBSO: tarieven en voorwaarden 2026, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, geraadpleegd oktober 2026. rvo.nl
- Brouwer, E., De Jong, G., Content, J. (SEO) en Den Hertog, P. e.a. (Dialogic) (2025). Evaluatie Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) 2018-2022. Eindrapport in opdracht van het ministerie van Economische Zaken, februari 2025. rijksoverheid.nl
- Belastingdienst, Aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk 2026, geraadpleegd oktober 2026. belastingdienst.nl
- Belastingdienst, Aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk: voorwaarden, geraadpleegd oktober 2026. belastingdienst.nl
- Lokshin, B. & Mohnen, P. (2012). How effective are level-based R&D tax credits? Evidence from the Netherlands. Applied Economics, 44(12), 1527-1538. doi.org/10.1080/00036846.2010.543083
- Minister van Economische Zaken (2025). Kabinetsreactie WBSO-evaluatie 2025. Kamerstukken II 2024/25, 32637, nr. 670, 3 april 2025. officielebekendmakingen.nl
- Dechezleprêtre, A., Einiö, E., Martin, R., Nguyen, K.-T. & Van Reenen, J. (2023). Do tax incentives increase firm innovation? An RD design for R&D, patents, and spillovers. American Economic Journal: Economic Policy, 15(4), 486-521. doi.org/10.1257/pol.20200739
- Agrawal, A., Rosell, C. & Simcoe, T. (2020). Tax credits and small firm R&D spending. American Economic Journal: Economic Policy, 12(2), 1-21. doi.org/10.1257/pol.20140467
- Castellacci, F. & Lie, C.M. (2015). Do the effects of R&D tax credits vary across industries? A meta-regression analysis. Research Policy, 44(4), 819-832. doi.org/10.1016/j.respol.2015.01.010
- Cappelen, Å., Raknerud, A. & Rybalka, M. (2012). The effects of R&D tax credits on patenting and innovations. Research Policy, 41(2), 334-345. doi.org/10.1016/j.respol.2011.10.001
- Lokshin, B. & Mohnen, P. (2013). Do R&D tax incentives lead to higher wages for R&D workers? Evidence from The Netherlands. Research Policy, 42(3), 823-830. doi.org/10.1016/j.respol.2012.12.004
- Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (2019). Brief over de evaluatie van de WBSO 2011-2017. Kamerstukken II 2018/19, 32637, nr. 358, 11 april 2019. officielebekendmakingen.nl